Voorin
1. Als er gordels aanwezig zijn:
- Kinderen van ten minste 1,35 meter en volwassenen
Verplicht gebruik van de beschikbare gordel.
- Kinderen korter dan 1,35 meter
Verplicht gebruik van een geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.
2. Als er geen gordels aanwezig zijn:
- Kinderen van ten minste 1,35 meter en volwassenen
Er hoeft geen gordel gedragen te worden.
- Kinderen korter dan 1,35 meter
Deze mogen niet worden vervoerd.
Achterin
1. Als er gordels aanwezig zijn:
- Kinderen van ten minste 1,35 meter en volwassenen
Verplicht gebruik van de beschikbare autogordel.
Uitzondering 1: binnen de bebouwde kom in autobussen met staanplaatsen en in autobussen terwijl die voor stads- of streekvervoer worden gebruikt. Uitzondering 2: Er mogen meer kinderen van ten minste 1,35 meter en volwassen passagiers worden vervoerd dan er gordels zijn, zolang de aanwezige gordels maar worden gebruikt.
Vanaf 1 mei 2008 (5 jaar na publicatie van de Richtlijn) zal het niet langer zijn toegestaan dat er meer passagiers worden vervoerd dan er gordels in de auto zijn!
- Kinderen korter dan 1,35 meter
Verplicht gebruik van een geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.
Uitzondering 1: in taxi’s en bussen; kinderen van 3 jaar en ouder gebruiken dan de beschikbare autogordel, behalve binnen de bebouwde kom in autobussen met staanplaatsen en in autobussen terwijl die voor stads- of streekvervoer worden gebruikt. Uitzondering 2: kinderen van 3 jaar en ouder mogen een autogordel gebruiken in plaats van een kinderbeveiligingssysteem als er op de desbetreffende zitbank al twee kinderzitjes zijn aangebracht en in gebruik zijn en er geen plaats meer is voor een derde zitje. Uitzondering 3: kinderen vanaf 3 jaar mogen de autogordel gebruiken bij vervoer door een ander persoon dan de eigen (pleeg)ouder in incidentele gevallen waarin redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de bestuurder een kinderbeveiligingssysteem bij zich heeft. Het dient hierbij om vervoer over beperkte afstand te gaan, zoals bijvoorbeeld vervoer van een sportteam naar een uitwedstrijd.
2. Als er geen gordels aanwezig zijn:
- Volwassenen en kinderen van 3 jaar en ouder
Zij mogen los worden vervoerd.
- Kinderen tot 3 jaar
Zij mogen niet worden vervoerd.
Uitzondering: in taxi’s en bussen.
§ 4. Essentiële wijzigingen
De essentiële wijzigingen ten opzichte van de «oude» regels zijn als volgt:
Voor volwassenen en kinderen van 1,35 meter en groter
De leeftijdsgrens van 12 jaar wordt geschrapt. Er is sprake van kinderen (personen onder de 18 jaar) en volwassenen.
De goede werking van de gordels mag niet worden belemmerd, bijvoorbeeld door gordelclips te gebruiken of door het schouderdeel achter de rug langs te leiden. Wel mogen volwassenen en kinderen voor wie geen goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem verkrijgbaar is, een gordelgeleider gebruiken als dat nodig is om de gordel over de schouder te laten lopen. Er zijn geen kinderbeveiligingssystemen goedgekeurd voor kinderen boven de 36 kg. Dat betekent niet dat alle goedgekeurde kinderbeveiligingssystemen ongeschikt zijn voor kinderen boven 36 kg. Zij mogen daarom door deze kinderen wel gebruikt worden, tenzij dit een kennelijk onveilige situatie oplevert. Als alternatief kunnen zij de gordel of de gordel met een gordelgeleider gebruiken. Aan zo’n gordelgeleider kunnen door de Minister van Verkeer en Waterstaat nadere eisen worden gesteld.
Tot nu toe moesten de beschikbare gordels altijd gebruikt worden. Volgens de nieuwe regels hoeven de gordels niet gebruikt te worden in bussen met staanplaatsen en binnen de bebouwde kom in bussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren.
Voor kinderen, algemeen
De lichaamslengte waarboven het gebruik van een kinderbeveiligingssysteem niet meer verplicht is, wordt gewijzigd van 1,50 meter in 1,35 meter. Dat is in verband met de mogelijkheid die in veel moderne auto’s bestaat om het schouderdeel in hoogte te verstellen. Als toch het schouderdeel over de hals loopt in plaats van over de schouder, ook al is het kind langer dan 1,35 meter, blijft het verstandig een zittingverhoger te gebruiken.
Kinderbeveiligingssystemen moeten behoren tot een type dat is goedgekeurd volgens ECE-reglement 44, versie 03 of later of volgens de equivalente EU-richtlijn 77/541/EEG. Kinderbeveiligings-systemen met een «antieke» goedkeuring mogen dus niet meer gebruikt worden. Kinderbeveiligingssystemen die helemaal niet zijn goedgekeurd mogen ook niet meer gebruikt worden. Tot nu toe moest een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem gebruikt worden als dat aanwezig was. Dat liet ruimte om een niet goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem te gebruiken.
Voor kinderen achterin
Tot nu toe mochten kinderen tot 3 jaar nog los achterin worden vervoerd en kinderen van 3 jaar en ouder in de gordels, indien aanwezig. Nieuw is dat kinderen tot 3 jaar alleen nog maar mogen worden vervoerd als ze een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem gebruiken, behalve in taxi’s en bussen. Kinderen van 3 jaar en ouder die kleiner zijn dan 1,35 meter moeten een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem gebruiken als er gordels aanwezig zijn, op enkele uitzonderingen na.
Voor passagiers, gezeten in een rolstoel
Tot de inwerkingtreding van dit besluit waren er geen regels die waren toegesneden op het vervoer van passagiers, gezeten in een rolstoel. Voortaan moeten passagiers, gezeten in een rolstoel, altijd en op de juiste wijze gebruik maken van een veiligheidsgordel. Het gaat daarbij om de veiligheidsgordel, die geen deel uitmaakt van de rolstoel.
Uitzondering: Openbaar vervoer, taxi’s niet ingericht voor rolstoelvervoer en taxivervoer anders dan contractvervoer.
Airbags
Op een passagiersplaats met een voorairbag mogen kinderen niet in een naar achteren gericht kinderzitje worden vervoerd, tenzij die airbag is uitgeschakeld. of automatisch voldoende wordt uitgeschakeld. Door de airbag kan het zitje met kracht naar achteren geworpen worden, met mogelijk ernstig of dodelijk letsel voor het kind tot gevolg.
Taxi’s
De draagplicht voor autogordels en kinderbeveiligingssystemen kende onder het oude artikel 59, vijfde lid, RVV 1990 al een uitzondering voor bestuurders van taxi’s tijdens taxivervoer van passagiers. Deze uitzondering is in artikel 59, zesde lid, RVV 1990 gehandhaafd, tenzij er sprake is van contractvervoer. Als in de taxi geen kinderbeveiligingssystemen zijn aangebracht, mogen voorin geen kinderen kleiner dan 1,35 meter worden vervoerd; ook niet als de zitplaats voorin is voorzien van een autogordel. Richtlijn 2003/20/EG geeft in deze situatie de voorkeur aan vervoer van kinderen achterin boven vervoer van kinderen voorin, ook al kunnen deze daarbij gebruik maken van een autogordel.
|